Nog geen reacties

“Enkele gedachten naar aanleiding van Doop van de Heer”

door Pastoor Hendriks

In het vorige nummer van De Wijzer heb ik geschreven over de kortst mogelijke Advent. Daar blijft het niet bij. In dit jaar is ook de periode van Openbaring zo kort mogelijk. Als wij het hoogfeest van Epifanie – Driekoningen op zondag gevierd hebben, valt nu op maandag het feest van de Doop van de Heer en daarmee het einde van de Kersttijd. Er is daarom geen kans om op een zondag, bijvoorbeeld tijdens de homilie, hieraan aandacht te schenken. Reden waarom ik in dit artikel enkele gedachten weergeef.

Het aantal Doopsels in onze drie parochies is klein geworden. U kunt dat zelf volgen via de vermeldingen in het parochieblad. In de afgelopen tijd ging het bijna uitsluitend om het Doopsel binnen een gezin waar al eerder een Huwelijkssluiting c.q. een Doopsel had plaatsgevonden. Dat weerspiegelt ook de algehele trend in onze Kerkprovincie. Er is een opmerkelijk verschil met mijn eerdere ervaringen: vroeger heb ik vaak pas kennis gemaakt met de aanstaande doopouders, als ik aan de deur stond voor het geplande doopgesprek; tegenwoordig ken ik bijna alle gezinnen al op voorhand naar aanleiding van een voorafgaande viering. Dit zou de indruk kunnen wekken, dat schrijven over het Doopsel niet meer zo actueel is. Ik hoop echter, dat deze tekst ook onder ogen komt van ouders die nog erover nadenken of zij hun kindje zullen laten dopen of die vooralsnog besloten hebben daarvan af te zien.

Meer dan voorheen kan men in onze tijd het argument horen, dat men niet voor de kinderen wil beslissen en dat die op volwassen leeftijd zelf maar moeten uitmaken of zij gedoopt willen worden.
Nu is het waar, dat de viering van het Doopsel in de eerste tijd van het Christendom vooral aan volwassenen werd bediend; daar ligt o.a. de oorsprong van de peetouders: een extra ouderpaar namens de Kerk. Anderzijds wordt ook al in de Heilige Schrift vermeld dat iemand het geloof aanvaardde met heel zijn gezin (vgl. Joh. 4, 53).
Maar het is goed daarbij te bedenken, dat de opvoeding van kinderen vele keuzes op voorhand maakt, zonder hen naar hun mening of voorkeur te vragen. In al die gevallen handelen de ouders op grond van hun liefde voor de mooiste toekomst van hun kinderen en voor hun eigen dierbaarste waarden: niet om op te dringen, maar om aan

hen eveneens het beste te gunnen en dat voor hen te waarborgen. Wie zou dat hun kwalijk kunnen nemen?
Mede om die reden heeft de Kerk het Doopsel voorzien van diverse vergemakkelijkende bepalingen. Naast het feitelijke Doopsel is er de genade van het ‘Doopsel van begeerte’ of het ‘Doopsel van bloed’. Dat wil zeggen, dat de gunst van het Kindschap van God ook verleend kan worden aan iemand die niet feitelijk gedoopt is, maar die er wel helemaal voor open stond of die voor de zaak van Christus de marteldood heeft ondergaan. Bovendien is ook de ‘nooddoop’, mits bediend op de wijze waarop de Kerk dit doet, geldig. Dat is zelfs zo, als de bedienaar persoonlijk niet katholiek of gelovig is. Zo hoog zet de Kerk in op het mogelijk maken van het Doopsel of op het toekennen van de bevrijding van de erfzonde en het toekennen van het Kindschap van God.
Dat moet toch wel te denken geven! Als het Doopsel voor de Kerk zo belangrijk is, dat zij de voorwaarden om gedoopt te worden zeer verruimt en van privileges voorziet, hoe kunnen dan ouders dit grote geschenk aan hun kinderen onthouden en weigeren?
Mogelijk zijn zulke ouders bereid om desondanks aan hun kinderen enige geloofsopvoeding mee te geven, maar zonder dat zij hun kinderen laten dopen, steunt dit alleen op hun eigen vermogen en miskent het de grote kracht van Gods hulp en liefde. Het lijkt op het willen besproeien van de tuin zonder dat men de hoofdkraan open draait! Er zal veel minder tot nauwelijks vruchtbare werking van uitgaan, omdat men God als Vader er buiten houdt en bij gevolg de kinderen buitenstaanders laat!

Het Doopsel geeft een schat aan genade en het is de poort naar alle andere Sacramenten, die immers niet ontvangen kunnen worden door iemand die niet gedoopt is. Het Doopsel is, mits geldig toegediend, wezenlijk onherhaalbaar. Het is de geboorte als lid van de Kerk en ook de geboorte als mens is onherhaalbaar. We kennen wel de hernieuwing van de doopbeloften, bij het heilig Vormsel en jaarlijks in de paaswake, maar geen ‘overdopen’: dat zou een breuk ten opzichte van het eens ontvangen Doopsel inhouden. We kennen helaas wel het uitschrijven als lid van de Kerk, maar geen ‘ontdopen’: het eens ontvangen Doopsel kan niet ongedaan gemaakt worden. We hebben wel de wederzijdse dooperkenning, maar die is alleen van toepassing, als iemand besluit tot een ander kerkgenootschap te willen toetreden: men kan geen ‘oecumenische christen’ zijn, die tegelijkertijd tot meer kerkgenootschappen wil behoren.
Met deze gedachten hoop ik u bij uw standpunt en uw overwegingen van dienst te zijn. Het is immers wezenlijk voor ons

Reacties zijn gesloten.